Follow me:
joellewrites de gentsche diergaerde ticket

De Gentsche diergaerde

Zebrastraat, Olifantstraat, Tijgerstraat, Alpacastraat. Heb je je nooit afgevraagd waarom die straten diernamen dragen? De beestenboel in de omgeving van de huidige Kinepolis is te danken aan de Gentse zoo (1851-1904). De dierentuin maakte deel uit van een gigantisch domein dat zich uitstrekte tot de Leie. Het enige tastbare overblijfsel hieraan is het Muinkpark.

Dankzij de katoenindustrie groeide de welvaart tijdens de eerste helft van de 19e eeuw. Door de prominente aanwezigheid van de bourgeoisie, steeg de vraag naar amusement. Een zoo paste perfect in dit stadsbeeld. Deze bevorderde niet alleen het welvarend plaatje dat de stad uitstraalde, maar creëerde tevens een nieuwe variatie op het zondagse uitstapje van de gefortuneerde burgers. Zo stichtte de Société Royale d’Histoire Naturelle het ‘Parc d’Histoire Naturelle’, ook deels uit jaloezie op de Antwerpse buren.

Op 12 april 1851 wordt ‘De Gentsche Diergaerde’ geïnaugureerd. De hoofdingang van de dierentuin bevond zich ter hoogte van het einde van de huidige Franklin Rooseveldlaan. De huidige Sint-Lievenslaan, het Zuidpark en de Leie grensden het gigantische domein af. Op het hoogtepunt van zijn bestaan (1860) bedroeg de oppervlakte waarschijnlijk rond de vijf hectare, vergelijkbaar met ongeveer 8 voetbalvelden. In eerste instantie bouwden ze stallen voor de dieren. Toen volgden het hoofdgebouw, een restaurant, bedrijfsruimtes en fonteinen.

Meer dan een dierentuin

De zoo was echter veel meer dan een dierentuin. Het werd een trekpleister voor wandelaars en de place-to-be voor talloze (volks-)feesten. Zo kon je concerten bijwonen in de kiosk of participeren aan een georganiseerde wandeling. Dit alles terwijl de jongste bezoekers genoten van een ritje op een pony, een kameel of in een wagentje. In het café-restaurant van het hoofdgebouw, kon je dineren. Het eethuis kreeg echter veel problemen op het vlak van uitbating. Afwisselend vielen de uitbaters niet in smaak van het bestuur of bleek de kwaliteit van het eten ondermaats. Ook had het domein een eigen plantentuin, verschillende (feest-)zalen en salons. Vijvers verbonden door waterloopjes versierden het park. Daar, in het midden op een rots, bevond zich de kiosk met een windmolen die instond voor het water van de. Eens opgenomen in het programma van de Gentse Feesten, werd de zoo omgetoverd tot een waar volksfeest. Tuinverlichting, vuurwerk, vrolijke muziek kenmerkten deze ‘concerts populairs’.

De zoo werd de grote favoriet, naast het Casino op de Coupure. Tussen de twee culturele uitstekken heerste er echter niet echt concurrentie, enerzijds omdat de voornaamste burgers lid waren van beide maatschappijen – toen reflecteerde het aantal lidmaatschappen je status. Anderzijds spraken beiden ook goed af inzake de beurtenrol voor de voorstellingen.

De bezoekers

Aanvankelijk hadden enkel leden-aandeelhouders en enkele burgerlijke of ereleden toegang tot de dierentuin. De frequentste bezoekers bleven dan ook de gegoede klasse. Dankzij een familieabonnement konden ze het domein zelfs tegen een goedkopere prijs betreden. In 1857 ontstond een soort Apartheidsformule die de arbeidsklasse tegen een goedkopere prijs toegang bood. Op zondagvoormiddag en op feestdagen gelde tevens een verlaagd tarief. Het verschil in toegangsprijs garandeerde de scheiding tussen de verschillende klasse zodat ze elkaar niet hoefden te kruisen. Daarnaast bezochten ook veel scholen en militairen de dierentuin – daar Gent toen een garnizoensstad was.

Allemaal beestjes

De ‘jardin zoologique’ van toen is niet te vergelijken met een moderne dierentuin. Destijds primeerde schoonheid op sensatie. Hoewel indrukwekkende dieren zoals olifanten, beren, tijgers, kaaimannen en dergelijke in de zoo te bezichtigen waren, ging vooral de aandacht van de bezoekers naar dieren met een kleurrijke pluimage. Deze voorkeur reflecteerde zich ook in de collectie van de Gentse zoo. Sierhoenders en niet-agressieve exotische graseters zoals gazellen en antilopen paradeerden er royaal. Daarnaast huisden er ook gewone huisdieren: cavia’s, eenden, schapen, konijnen en zelfs bepaalde hondenrassen! Dankzij de Duitse dierenexporteur Charles Jamrach kregen de Gentenaren, als eersten in Europa, een goudvis te zien. Overigens wisten de verzorgers weinig af van de levenswijze of voeding van de exotische(re) dieren, waardoor er geregeld dieren stierven in de zoo zelf of tijdens de overtocht. Een voorbeeld hiervan zijn de enkele olifanten die de reder De Cock uit Birma wou transporteren. Daarnaast ging er van tijd tot tijd een dier vandoor. Zo blijkt uit het register van 1852 dat een ontsnapte hyena een pelikaan zou opgegeten hebben. Dit was een groot drama, wetende dat die laatste 750 frank had gekost.

In 1855 verwelkomde de zoo de eerste olifant. De Indische olifant Betsy fungeerde tot haar dood in 1887 als de mascotte van de zoo. Ze werd zelfs geïntegreerd in het volkslied “Oh, die Betsie, onzen olifant. Tes zuu un broave bieste. Ze heeft toch zuveel verstand. En ge kunt da nie geluve, als ze hoar baaske ziet, haar snuitje gaat omhuge en haar steertje draait ze weert.” Na haar dood verkochten ze haar huid aan een leerlooier en het vlees waarschijnlijk aan een Gentse beenhouwer. Het skelet is nog steeds te bezichtigen in het Museum voor Dierkunde van de UGent.

De Aziatische olifant Jack kende een dramatischer lot. Tijdens de openbare veiling van 1904 werd hij, zoals zoveel andere dieren, openbaar verkocht. Een circusbaas en Frans Hillaert (aka Siesken de Gistmarchand), een handelaar in gist, namen het tegen elkaar op. Helaas bood de gisthandelaar net iets meer. Jack liep een circuscarière mis en werd geslacht. De heer Hillaert organiseerde een groot feest met 1975 kg vlees, waaronder berenvlees. Het olifantenvlees verkocht hij aan een Hollands worstenfabriek. De kop van Jack werd nog enkele dagen nadien tentoongesteld in het Gents hotel Gambrinus in de huidige Vlaanderenstraat.

De zoo had naast een ludieke ook een commerciële functie. De dieren werden ook als gezelschapswezens of statussymbolen aan particulieren verkocht. Sierhoenders waren bijvoorbeeld in trek om een privé-wintertuin te ophemelen. Andere dieren werden geruild met bevriende dierentuinen, zoals die van Antwerpen of Londen. Hiervan getuigt de hieronder afgebeelde Londense akte die beschrijft hoe de Gentse zoo er op 19 mei 1876 onder meer drie kippen bij kreeg.

Alle mooie dingen kennen een einde

Gemiddeld kende het domein 60.000 bezoekers per jaar. In vergelijking met de bevolkingstoename van 103.000 tot 166.500 tussen 1846 en 1910 is dit vrij veel. Tegen 1890 was het zijn piek voorbij. De interesse van de burgerij daalde waardoor er geen geld meer in het laadje kwam. De dierentuin sloot zijn deuren in 1904, de dieren werden openbaar verkocht , de gronden aangekocht door de stad en de Maatschappij voor Natuurlijke Historie werd een jaar later ontbonden. In het Muinkpark is een berghokje het enige spoor van die tijd, alle andere gebouwen werden gesloopt.

joellewrites de gentsche diergaerde plan joellewrites de gentsche diergaerde olifant joellewrites de gentsche diergaerde akte joellewrites de gentsche diergaerde muinkpark

Previous Post Next Post

You may also like

No Comments

Leave a Reply